- Geplaatst op
- • Persoonlijk
Oekraïense overpeinzingen (3): Van bemenst, schaars en duur naar onbemenst, massaal en goedkoop
- Auteur
-
-
- Gebruiker
- Ron Roozendaal
- Bericht van deze auteur
- Bericht van deze auteur
-
Dit is de derde blog in een reeks overpeinzingen naar aanleiding van mijn bezoeken aan Oekraïne. In de eerste schreef ik over autonomie en ongewenste afhankelijkheden, in de tweede over de kracht van schaarste. Deze derde gaat over een verschuiving die ik bij mijn bezoeken steeds zie: van massa naar precisie, van de soldaat met een wapen in de hand naar de operator achter een scherm. De frontlinie verplaatst zich — van het lichaam naar de laptop.
Wie wint er nu op het slagveld? Steeds vaker niet de stoere soldaat achter de houwitser, maar de nerd met een drone. En straks misschien niet eens de nerd meer, maar de machine die hij bestuurt. Niet spierkracht wint, maar denkkracht. En dat verandert alles: de tactiek, wie er vecht, en wat een leger eigenlijk moet kunnen.
En toch verdwijnt de mens niet uit beeld naarmate de machine meer overneemt. De mens verschuift in rol, en gaat zwaarder wegen. Hoe slimmer het wapen, hoe belangrijker de mens die het vertelt wat goed is om te doen.
Van artillerie naar algoritme
Eeuwenlang was artillerie de koning van het slagveld. "Artillery conquers, infantry occupies", luidde het adagium. In Oekraïne is die koning van zijn troon gestoten. Drones zijn er voor het eerst de belangrijkste oorzaak van verliezen, niet de artillerie.
Volgens een studie van het International Institute for Strategic Studies waren drones in 2025 verantwoordelijk voor tot 80 procent van de personele verliezen aan het front. De Finse president Alexander Stubb noemde een nog hoger getal: 95 procent van de Russische gesneuvelden zou sinds december door drones komen. Wat ooit het werk was van een batterij houwitsers, doen nu toestellen van een paar honderd dollar.
Het gevolg is een slagveld dat onherkenbaar is veranderd. Er is een "kill zone" ontstaan van tien tot twintig kilometer diep, waarin alles wat zichtbaar is en beweegt kan worden vernietigd; militairen overleven alleen nog als ze zich verbergen. En die zone groeit razendsnel. Glasvezeldrones, onkwetsbaar voor stoorzenders, gingen begin 2025 nog tot zo'n twintig kilometer; een jaar later testte Oekraïne al toestellen met een bereik tot veertig kilometer. De zone die er nu echt toe doet — waar troepen samentrekken en de bevoorrading loopt — ligt volgens analisten tussen de dertig en honderd kilometer achter het front. Het idee van een veilig achterland verdwijnt. De open beweging van pantsercolonnes uit de twintigste eeuw is praktisch onmogelijk geworden. Sommigen vergelijken de impact van de drone met die van de mitrailleur in de Eerste Wereldoorlog: een wapen dat de hele logica van het gevecht herschreef.
Niet alleen in de lucht — ook op zee en op de grond
Die verschuiving blijft niet bij drones in de lucht. Ze voltrekt zich in álle domeinen. Het misschien wel beste voorbeeld komt van zee. Oekraïne, een land dat zijn marine aan het begin van de oorlog vrijwel volledig kwijt was, bracht met onbemenste explosievenboten — de Magura's, zo'n 250.000 dollar per stuk — een aanzienlijk deel van de Russische Zwarte Zeevloot tot zinken en dwong de rest de haven in. Een korvet van tientallen miljoenen, uitgeschakeld door een bootje ter waarde van een Prosche 911. En in mei 2025 gebeurde iets ongekends: onbemenste zee-drones schoten met raketten twee bemenste Russische Su-30-straaljagers uit de lucht — de eerste keer in de geschiedenis dat een bemenst gevechtsvliegtuig werd neergehaald vanaf een onbemenst vaartuig.
Ook op de grond rukt het onbemenste op. Robotvoertuigen brengen munitie en voorraden naar posities waar geen mens meer veilig kan komen, en in 2026 meldde Oekraïne zelfs een aanval waarbij een stelling werd ingenomen met uitsluitend onbemenste systemen: drones in de lucht die verkennen en onderdrukken, grondrobots die het terrein bezetten. Robots vervangen de infanterie nog niet in alles — terrein blijft het moeilijkste — maar ze veranderen wel de rekensom van wie waar risico loopt.
Onder dit alles zit één economische logica, en het is dezelfde die ik in mijn vorige blog goedkope massa noemde. Het Pentagon vat haar samen met twee begrippen: weg van "dure schaarste" — kleine aantallen peperdure, geavanceerde platforms — naar "intelligente massa": grote aantallen goed-genoege, vernetwerkte, vervangbare systemen. De Amerikaanse luchtmacht noemt het "affordable mass": goedkoop genoeg om in grote aantallen te kopen én te verliezen. Niet voor niets kondigde het Pentagon het Replicator-programma aan, dat binnen anderhalf tot twee jaar duizenden vervangbare, autonome systemen in meerdere domeinen — land, zee, lucht — wil uitrollen. De toekomst is niet één wonderwapen, maar zwermen van betaalbare systemen.
En toch zit achter elk van die zwermen — elke drone, elk bootje, elke grondrobot — nog altijd een mens. Al is de rol van die mens aan het veranderen.
De nerds aan het front
De beste dronepiloten zijn vaak geen gespierde commando's. Het zijn gamers. Oekraïense drone-eenheden werven gericht onder gamers en IT'ers. "Als ze ervaring hebben met PlayStation, is dat een groot pluspunt", vertelde een commandant aan TIME, "want ze weten al hoe ze de controllers moeten gebruiken." Gevraagd naar de beste achtergrond voor een piloot: "Gamers, eigenlijk. We krijgen veel jonge gasten uit de IT-sector." Oleg Grabovyy, cursuscoördinator bij Oekraïnes 25e Luchtlandingsbrigade, verwoordde het nog bondiger: de behendigheid die je opdoet met een Xbox-controller is direct overdraagbaar naar het vliegen van drones, en de beste FPV-piloot die hij ooit ontmoette was een fanatieke gamer.
Een droneteam bestaat uit een handvol mensen achter schermen, met een videobril op die niet veel anders oogt dan een VR-headset. De beslissende vaardigheid is niet langer fysieke kracht, maar reactiesnelheid, ruimtelijk inzicht en het vermogen om uren naar een scherm te staren. Eigenschappen die een generatie die opgroeide met een controller in de hand bij uitstek beheerst.
Maar een echte oorlog is geen Call of Duty. Tanner Yackley, een voormalige drone-operator van de Amerikaanse luchtmacht, waarschuwde dat geen enkel spel je kan voorbereiden op wat je werkelijk doet: je neemt elke dag beslissingen over leven en dood. Het scherm schept afstand, maar de gevolgen zijn akelig echt.
Doden via een scherm
Deze manier van oorlog voeren is ook meedogenloos meetbaar geworden. Oekraïne kent een programma — Army of Drones Bonus — waarbij eenheden "punten" verdienen voor geslaagde aanvallen, in te wisselen voor nieuw materieel. De eenheid "Birds of Magyar" van commandant Robert "Magyar" Brovdi houdt zijn treffers minutieus bij; een waarnemer beschreef het systeem als een efficiëntiemodel dat doet denken aan een startup, dat operators aanmoedigt waardevolle doelen te prioriteren en elke kill te loggen. Dat is, militair gezien, doeltreffend. Maar het kwantificeert ook het doden van mensen tot een score.
En anders dan de artillerist, die zijn doel nooit ziet, ziet de drone-operator alles. Hij zit, in de woorden van een onderzoeker, op:
achttien inch van het slagveld: de afstand tussen oog en scherm.
Hij is getuige van elke fase van zijn aanval, inclusief de nasleep. Het risico dat hij loopt is niet fysiek maar moreel, en dat ontwricht het comfortabele idee dat doden op afstand lijkt op een videospel. Niet voor niets melden drone-operators verhoogde stress, burn-out en wat psychologen "moral injury" noemen.
Zo kreeg de Amerikaanse drone-operator Brandon Bryant tegen het einde van zijn diensttijd boven Irak en Afghanistan een "scorekaart": een document dat liet zien dat hij had deelgenomen aan missies die tot 1.626 doden hadden geleid.
Ik was gelukkiger geweest als ze me dat papier nooit hadden laten zien.
Het is uit een andere oorlog — een ver weg gevoerde Amerikaanse dronecampagne, geen loopgravenfront in Europa. Maar juist door de schaal in Oekraïne, waar het loggen van kills een dagelijks routinemodel is geworden, wordt de vraag eronder alleen maar urgenter: wat doet het met een mens om het doden tot een telbaar getal te maken?
De machine een stap vooruit — en toch de mens
Zolang een drone via een radioverbinding of een glasvezeldraad door een mens wordt bestuurd, blijft die mens de kwetsbare schakel — de verbinding kan worden gestoord, de operator kan worden opgespoord. De logische volgende zet is hem uit de directe besturing halen: drones met kunstmatige intelligentie die zelf hun doel herkennen en aanvliegen. Die technologie bestaat al, in onvolgroeide vorm. Drones met "machine vision" kunnen een doelwit vasthouden, ook als de verbinding wegvalt: de operator wijst het doel aan, en als de jamming toeslaat vliegt het toestel autonoom verder. Het Oekraïense techbedrijf The Fourth Law claimt dat zulke autonomie-modules de trefkans tot vier keer verhogen ten opzichte van puur menselijke besturing.
Maar de machine is nog niet zo slim als de reclamefolders soms suggereren. AI-targeting faalt in rommelige omgevingen: bomen verwarren de algoritmes, en een plas water die metaalachtig glinstert wordt soms aangezien voor een voertuig. De mens moet de doelherkenning nog dubbelchecken. Het vergt een blog op zich — hoe ver laten we de machine zelf beslissen? — maar voorlopig houdt vrijwel iedereen vast aan een mens "in the loop", die de uiteindelijke beslissing neemt. Volgens een expert die in Oekraïne aan deze systemen werkt, kunnen we de machine zeker nog tien tot vijftien jaar niet volledig vertrouwen. De richting is duidelijk, en het ongemak ook. Dat raakt aan het thema van mijn eerste blog: autonomie. Hoe meer we de machine zelf laten doen, hoe scherper de vraag wie er nog werkelijk de baas is.
De mens blijft dus in beeld — en op een wrange manier nog op een tweede. Want wie de meeste verliezen veroorzaakt, wordt zelf de meest gewilde prooi. "Zij jagen op ons, wij op hen", zei een Oekraïense operator. Dronepiloten zijn "doelwit nummer één" geworden; Rusland zet er zelfs zware glijbommen voor in, die normaal voor gebouwen zijn bedoeld. De gedachte dat dronewerk veiliger achteraf gebeurt, blijkt een illusie. En precisie betekent niet vanzelf bescherming: de VN-mensenrechtenmissie documenteerde dat juist deze korte-afstandsdrones een belangrijke doodsoorzaak onder burgers zijn geworden — mensen op de fiets, in een auto, in een ambulance. Het scherpe oog van de operator zou onderscheid makkelijker moeten maken, maar techniek vervangt geen geweten.
En wij dan?
En zo kom ik, net als in de vorige blogs, bij de spiegel naar onszelf. Want westerse legers zijn nog vaak gebouwd rond het vorige paradigma: duur, bemenst, groot materieel. Tanks, fregatten, gevechtsvliegtuigen. De verschuiving naar onbemenst is een omslag in techniek, maar veel meer nog in denken, in bemensing en in cultuur.
Sofie van der Maarel, universitair docent Militaire Ethiek aan de Nederlandse Defensie Academie, verwoordde het scherp: als je werft onder mensen die "actie en avontuur" zoeken, en dat personeel eindigt vervolgens achter een tablet waarmee ze een drone besturen, dan sluit dat niet aan bij hun verwachting. De vaardigheden die we vragen verschuiven, in de woorden van de Militaire Spectator, "naar de cognitieve kant". Een drone besturen is nu eenmaal complexer dan een handvuurwapen bedienen.
Dat is een fundamentele vraag voor elke organisatie die met technologie te maken krijgt, en zeker voor de overheid: als het beslissende talent verschuift van spierkracht naar denkkracht, werven, behouden en waarderen we dan wel de juiste mensen? En durven we de hiërarchie en de cultuur die daarbij horen ook echt te veranderen? In Oekraïne telt aan de dronetafel niet je rang, maar of je het kunt.
Het is precies deze verandering die ik in mijn rol als Gezant Onbemenste Systemen in mijn werk probeer in te brengen. Daarom heb ik de APOS Industry Challenges in gang gezet. Een challenge is meer dan een slimme inkoopvorm; het is een kleine cultuurbreuk. Geen jarenlang aanbestedingstraject met de specificaties dichtgetimmerd vooraf, gebouwd op dure en bekende systemen, maar een open uitvraag naar een gewenst effect: binnen een half jaar moet er een werkend systeem staan, en wat telt is de slimmigheid en betaalbaarheid waarmee de industrie dat effect bereikt. Wie het in de testen echt goed doet, krijgt zicht op meerjarige financiering. Zo krijg je nieuwe systemen — gemaakt en gebruikt door andere typen mensen.
Tot slot
De verschuiving van bemenst naar onbemenst is geen sciencefiction meer; ze voltrekt zich nu, op een dag rijden van Utrecht. Een oorlog die steeds meer wordt beslist door wie het beste ziet en het snelst schakelt — mens en machine samen — en steeds minder door wie het zwaarste geschut heeft.
Maar de mens verdwijnt niet uit het beeld. Hij verschuift: van de loopgraaf naar het scherm, van de spier naar de cortex. En zijn verantwoordelijkheid wordt daarmee niet kleiner, maar groter. Van der Maarel wijst erop dat de belofte altijd was dat de dronebestuurder veiliger zou zijn, op afstand — maar dat er nu nieuwe dilemma's ontstaan. "Omdat de bestuurder over veel meer informatie beschikt, wordt diens verantwoordelijkheid ook veel groter", zegt ze. Niet minder mens dus, maar een zwaarder belaste mens.
En misschien is dat de echte vraag. Nu de machine zoveel van het vechten overneemt, wordt de mens belangrijker of juist minder belangrijk? Ik vermoed het eerste. Want iemand moet de machine nog altijd vertellen wat goed is om te doen. En dat, blijkt aan het front, is het moeilijkste van alles.