Ron Roozendaal
Ron Roozendaal
Geplaatst op
Informatievoorziening in de zorg

AC-ICT diagnose zorg-ICT: de verkeerde remedie?

Auteur
AC-ICT diagnose zorg-ICT: de verkeerde remedie?

Vijf jaar nadat ik een serie blogs schreef over de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg (Wegiz), lees ik het AcICT-advies over de zorginfrastructuur. Misschien stelt het college de juiste diagnose, dat kan ik op afstand niet goed beoordelen. Maar wat mij betreft schrijft het zeker het verkeerde medicijn voor.

Ik heb even geaarzeld over het schrijven van deze blog. Maar 15 jaar na het verwerpen van de EPD-wet in 2011 vind ik het belangrijk dat het AcICT-advies wordt geplaatst in het licht van die jarenlange ontwikkelingen. Daarbij raakt het ook aan mijn eigen betrokkenheid bij het ontstaan van de Wegiz. Vandaar toch deze blog. Niet de eerste overigens over dit onderwerp. In 2021 schreef ik al een reeks blogs over het wetsvoorstel dat toen nog door de Kamer moest: de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg. Een wet waar ik toen verantwoordelijk voor was en die beoogt om stap voor stap de zorg te digitaliseren, zodat faxen, brieven of DVD's op de buik van een patiënt steeds minder voorkomen. Ik beantwoordde in de blogs de vragen die er leefden. Gaat dat niet eeuwig duren? Sluit het wel aan op toestemming? En, voor deze blog de belangrijkste: waarom bepaalt de overheid niet zelf de standaarden?

Eind mei verscheen het advies van het Adviescollege ICT-toetsing over het programma Implementatie Generieke Functies, het programma dat onder diezelfde Wegiz de fundamenten moet leggen. Ik heb het met meer dan gewone belangstelling gelezen. Ik was verantwoordelijk voor de totstandkoming van die wet. Dit raakt aan iets waar ik zelf aan heb gebouwd.

Of het AcICT op veel punten gelijk heeft, daar kan ik na jaren op afstand niet over oordelen. Maar hoe dan ik vind ik de conclusie die het adviescollege eruit trekt onverstandig — en eerlijk gezegd jammer. Deze blog gaat daarover, en hoe het anders zou kunnen.

Wat het advies zegt

In drie jaar is er volgens het AcICT weinig terechtgekomen van wat VWS in het Integraal Zorgakkoord had toegezegd, en draagt het programma nauwelijks bij aan betere zorg. De oorzaken zijn volgens het adviescollege deels uitvoeringskwesties. Maar VWS slaagt er, aldus het advies, ook onvoldoende in om regie te pakken op de gegevensuitwisseling in het veld.

De aanbeveling die daaruit volgt is om het radicaal anders te doen. Stop vrijwel alle activiteiten van het programma — op Mitz en Dezi na, de toestemmingsvoorziening en de nieuwe zorgidentiteit — en verbeter de uitwisseling voortaan door stapsgewijs concrete belemmeringen weg te nemen, samen met partijen uit het veld, in plaats van generieke oplossingen te ontwikkelen. En, opvallend: ga door met het ontwikkelen van juridische instrumenten om regie te kunnen voeren.

Eerst de hand in eigen boezem

In mijn blog uit 2021, "gaat dat niet eeuwig duren?", was ik uitgesproken optimistisch over het tempo. Ik schreef dat de Wegiz zijn schaduw vooruitwerpt, dat het veld ook zonder wet al in beweging kwam — de technische afsprakenset voor de Basisgegevensset Zorg was daar een mooi voorbeeld van — en dat het werken met herbruikbare bouwstenen, als legoblokjes, het na verloop van tijd sneller zou maken. Die beweging was er ook achteraf echt wel.

Maar met de kennis van nu: ze was traag en ze leunde zwaar op de goede wil van een veld met tegengestelde belangen. Dat is precies wat het AcICT nu blootlegt. Maar het AcICT behandelt het gebrek aan regie als een gegeven waar je je bij neerlegt. En dáár gaat het wat mij betreft mis.

Wat ik in 2021 zelf al opschreef

Op de vraag "waarom bepaalt de overheid niet zelf de standaarden?" gaf ik in 2021 een eerlijk antwoord. Niet de overheid bepaalt de standaarden, schreef ik, maar de normen worden ontwikkeld mét alle betrokken partijen: patiënten, zorgaanbieders, leveranciers. En dat is zo vanwege de rol van de overheid in de Nederlandse zorg — een overheid die de zorg niet zelf levert.

Daarna noemde ik de twee alternatieve aanpakken die andere landen kiezen. In landen waar de overheid wél betrokken is bij het leveren van zorg — de Verenigde Staten met de zorg voor veteranen, het Verenigd Koninkrijk — kun je eisen aan taal en techniek meegeven in de inkoop, simpelweg omdat de overheid de inkopende partij is. Zo ontstond in de VS de "Blue Button". En in landen waar de overheid voorzieningen aanbiedt voor uitwisseling — Denemarken, Estland, Portugal, Frankrijk — kun je voorwaarden stellen aan verplichte aansluiting op een nationale of regionale infrastructuur. Door dat te doen, schreef ik destijds, "is dan een aparte wet minder nodig".

En ik benoemde de breuk die dit alles verklaart: waar Nederland sinds 2011, na de afwijzing van de Wet EPD, geen betrokkenheid meer heeft bij specifieke infrastructuren voor uitwisseling, is dat in die andere landen wel het geval.

Wat ik toen beschreef als een neutrale verklaring, is in werkelijkheid de kern van het probleem gebleken. De Wegiz was de oplossing die overbleef nadat Nederland in 2011 had besloten dat de overheid géén inkopende partij en géén infrastructuureigenaar meer zou zijn. We hebben een wet gebouwd om iets te bereiken waar andere landen helemaal geen aparte wet voor nodig hebben, omdat zij de twee krachtigste knoppen — koperskracht en publieke infrastructuur — gewoon in handen hebben.

Waarom "terug naar het veld" de verkeerde reflex is

Dat plaatst wat mij betreft het AcICT-advies in een ander licht. Het college constateert dat VWS onvoldoende regie pakt op een veld van tienduizenden zorgaanbieders en meer dan vierhonderd leveranciers, en adviseert om vanuit dat veld stapsgewijs belemmeringen weg te nemen. Maar dat is in de kern de vrijwillige, veldgeleide route — dezelfde route waar mijn eigen optimisme uit 2021 op steunde, en die te traag bleek.

Een veld van deze omvang, met deze tegengestelde belangen, convergeert niet uit zichzelf. Leveranciers die hun marktpositie ontlenen aan het feit dat overstappen moeilijk is, hebben geen belang bij naadloze interoperabiliteit. Van hen verwachten dat ze "samen met het veld" de drempels slechten die hun eigen positie beschermen, is hopen tegen beter weten in.

Het bewijs ligt er al. Mitz, de gemeenschappelijke toestemmingsvoorziening, is al jaren beschikbaar en bereikte begin juni 2026 pas de twaalfhonderdvijftigste aangesloten zorgverlener — een fractie van het veld. Zolang aansluiten vrijwillig is, blijft het netwerk half leeg. En zolang Mitz niet vol raakt, kan de toestemming voor gegevensuitwisseling die erop leunt niet landelijk werken. Dat is een netwerkeffect: een half gevuld netwerk levert niet de halve waarde, maar bijna geen waarde. Zulke effecten doorbreek je niet met vrijwilligheid en kleine stapjes. Je doorbreekt ze met verplichting en met publiek eigenaarschap van de kerninfrastructuur.

Dit hebben we al eens geprobeerd

Nederland heeft de remedie die het AcICT nu voorstelt al een keer toegepast. Toen de Eerste Kamer in 2011 de EPD-wet verwierp, trok de overheid zich terug uit de infrastructuur. De landelijke uitwisseling werd voortgezet als privaat initiatief, regionaal, vrijwillig, gefinancierd door de zorgverzekeraars. "Terug naar het veld", in optima forma.

Het resultaat kennen we. Een lappendeken van regionale infrastructuren die onderling slecht praten. En een markt waarin leveranciers een onmisbare positie hebben kunnen opbouwen — met ChipSoft, de dominante EPD-leverancier die inmiddels ruim driekwart van de ziekenhuizen bedient, marges haalt van tegen de veertig procent of meer, en grotendeels uit publiek geld wordt betaald. Die afhankelijkheid is geen ongelukje. Ze is mede het gevolg van het besluit om de publieke regie los te laten. Het advies om nu opnieuw "terug naar het veld" te gaan, riskeert diezelfde fout een tweede keer.

Wat andere landen deden

Het mooie — of pijnlijke — is dat de landen die ik in 2021 zelf noemde, precies de andere kant op gingen. Denemarken, Estland, Portugal, Frankrijk: publieke voorzieningen, verplichte aansluiting, een nationale kerninfrastructuur in publieke handen. Het zijn niet toevallig de landen die gelden als voorbeeld voor interoperabiliteit en patiënttoegang. De landen die het meest worstelen, zijn juist de versnipperde — het Nederland van na 2011.

De Verenigde Staten, met een EPD-markt die net zo geconcentreerd is als de onze, kozen voor harde verplichting richting de leveranciers: open standaarden, verplichte data-export bij overstap, een verbod op information blocking, met stevige boetes — tot een miljoen dollar per overtreding voor leveranciers. En vanuit Europa dwingt de European Health Data Space inmiddels af wat wij van onderaf niet rond kregen: verplichte interoperabiliteitscomponenten in élk EPD-systeem. Ik schreef altijd dat de Wegiz vooruitloopt op en aansluit bij de EHDS. Dat klopt nog steeds — maar de EHDS is inmiddels ook de stok geworden die onze eigen wet miste. Laten we die stok dan ook gebruiken.

Dezi als voorbeeld

Wat het AcICT wil behouden: Mitz en Dezi. Dat zijn precies de twee bouwstenen die het meest het karakter van een publieke voorziening hebben. Mitz regelt de toestemming. En Dezi is de nieuwe zorgidentiteit die de oude UZI vervangt — de manier waarop een zorgverlener betrouwbaar kan aantonen wie hij is.

Dat de overheid zulke voorzieningen wél kan bouwen, weet ik uit eigen ervaring. Tijdens de coronadigitalisering, waar ik aan werkte, hebben we de basis voor Dezi al gebouwd en in de praktijk ingezet. De vaccinatieregistratie kende namelijk ook een kleine pilot met zorgverleners die via DigiD inlogden en vaccinaties registreerden. Daarna volgende een grotere pilot waarin zorgverleners met DigiD konden inloggen . Die proef werd succesvol afgerond — artsen vonden DigiD gebruiksvriendelijker, en de UZI-pas gevoeliger voor storingen en kostbaarder. De overheid bleek te kunnen leveren.

En het bleef niet bij die ene proef. Er volgden meerdere Dezi-pilots — de derde was medio 2025 al afgerond — op weg naar de landelijke invoering. Vernieuwing van inloggen is uitgegroeid tot Dezi, en het wetsvoorstel DIAZ — op 17 maart 2025 bij de Tweede Kamer ingediend en nog in behandeling — maakt inloggen via Dezi wettelijk verplicht voor alle zorgmedewerkers. Voor precies één generieke functie wordt dus nu al uitgewerkt wat ik voor de hele infrastructuur bepleit: een publieke voorziening, met verplichte aansluiting, wettelijk verankerd.

Het verhaal dat de overheid dit soort dingen niet kan, klopt niet. De overheid kan publieke voorzieningen bouwen die werken — als ze de regie pakt en doorzet. Het AcICT erkent dat impliciet door Dezi te willen behouden. De logische volgende stap is dan niet om de rest aan het veld over te laten, maar om hetzelfde publieke vermogen dat Dezi oplevert op de hele kerninfrastructuur van de zorg los te laten.

Krachtigere publieke regie

Mijn conclusie is daarom het tegenovergestelde van die van het AcICT. De les is niet dat de publieke regie te ver ging. De les is dat ze te laat en te halfslachtig kwam, gehinderd door het gegeven dat in 2011 bewust elke publieke hefboom was weggegeven. Het antwoord is niet minder publiek, maar krachtiger publiek.

Concreet betekent dat het serieus nemen van de twee knoppen die ik in 2021 nog als iets voor andere landen beschreef. Geef de overheid koperskracht: bundel inkoop en maak aansluiting op de generieke functies een voorwaarde in de bekostiging, zodat "aangesloten op het landelijk dekkend netwerk" net zo vanzelfsprekend wordt als voldoen aan de informatiebeveiligingsnorm. Breng de kernvoorzieningen — Mitz, de adressering, de lokalisatie — in echt publiek eigendom. En reguleer de leveranciers rechtstreeks: verplichte open API's, dataportabiliteit en een verbod op information blocking, met toezicht dat tanden heeft. Dat verschuift de last naar de partijen mét capaciteit, in plaats van naar het versnipperde veld dat het AcICT opnieuw aan zet wil zetten.

"Krachtiger publiek" is níét één monolithisch, centraal gebouwd staatssysteem. Dat is de val waar het Britse National Programme for IT in liep: te centraal, zonder draagvlak, en met meer dan tien miljard pond aan kosten. De middenweg is een andere: publieke standaarden en een publieke kerninfrastructuur met verplichte aansluiting, en de applicaties en de uitvoering bij een concurrerend veld. De overheid bezit de snelweg en de verkeersregels; de markt levert de auto's. Dat is, als ik heel eerlijk ben, de Wegiz zoals hij altijd bedoeld was — maar dan met de publieke hefbomen eronder die we onszelf in 2011 hebben ontzegd.

De deur op een kier

Het mooie is dat het AcICT zelf de deur op een kier zet. Het adviseert door te gaan met juridische instrumenten om regie te kunnen voeren. Het gaat er niet om óf je publieke instrumenten inzet, maar hoe ver je gaat en hoe centraal je de kerninfrastructuur organiseert. Het college kiest ervoor die instrumenten voorzichtig en aanvullend in te zetten, rond een verder veldgeleide aanpak. Ik zou ze tot het hart van de publieke aanpak maken.

Want wie de doelen serieus neemt die in datzelfde IZA staan — niet alleen betere en veiligere zorg, maar ook de structurele besparing van 340 miljoen euro per jaar vanaf 2029 — moet erkennen dat die besparing nooit komt uit het één voor één wegpoetsen van losse belemmeringen. Structurele besparing komt uit het beëindigen van dubbel werk via één gedeelde, publieke kerninfrastructuur. De ambitie die het AcICT te hoog vindt, is precies de ambitie die het werkend en rendabel maakt.

Tot slot

Ik begrijp de reflex van het advies. Na een teleurstellend ICT-programma is "doe het kleiner, doe het samen met het veld" een vaak getrokken conclusie. Want het opknippen van een grote ICT-opgave in kleine projecten die in stapjes toewerken naar een eindresultaat is vaak verstandig. Maar dit is zoveel meer dan een ICT-project.

Daarom het is wat mij betreft het verkeerde advies. We hebben die route bovendien al bewandeld na 2011, en we plukken er nog dagelijks de zure vruchten van.

Het complexe speelveld dat het AcICT beschrijft is geen argument om de publieke regie los te laten. Het is het sterkste argument om nog meer regie te nemen. Vijf jaar geleden beschreef ik de alternatieven als iets dat andere landen doen. Met het advies in de hand denk ik dat het tijd is om ze hier serieus te nemen. Niet minder ambitie en niet terug naar het veld, maar krachtiger publiek — met de uitvoering nadrukkelijk in dat veld, en eigenaarschap waar het hoort.