Ron Roozendaal

Ron Roozendaal

Ron Roozendaal

  • Geplaatst op

    Dit is een blog in een serie waarin ik vragen beantwoord over het wetsvoorstel “Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg”. Een wetsvoorstel dat beoogt om stap voor stap de zorg te digitaliseren. Zodat faxen, brieven of DVD’s op de buik van een patiënt steeds minder voorkomen. Het is een wet waaronder gegevensuitwisselingen kunnen worden aangewezen die tenminste digitaal moeten verlopen. Dat kan op twee manieren. Door aan te wijzen dat ze elektronisch moeten verlopen (spoor 1 van de wet) of door ook aan te wijzen hoe, volgens welke norm, dat moet (spoor 2). Het is een wet waarover vragen zijn. In een serie blogs ga ik in op die vragen. Heb je ook een vraag? Laat deze gerust weten; via LinkedIn bijvoorbeeld.

    Hoe verhoudt de Wegiz zicht tot de Wabpvz?

    Na mijn eerdere blog over de Wegiz en toestemming kreeg ik veel vragen over de verhouding van het wetsvoorstel tot de Wet aanvullende bepaling verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabvpz). Deze wet regelt onder meer het recht op digitaal afschrift van de eigen medische gegevens en de verplichting om aan normen ten aanzien van informatiebeveiliging te voldoen.

    Er is echter nog iets dat de Wabvpz regelt, en dat geldt voor uitwisselingssystemen. Als daarvan gebruik wordt gemaakt dan is vanwege de bepalingen in de Wabvpz toestemming nodig voor het ongericht raadpleegbaar maken van medische informatie. Nu doet het woord “uitwisselingssystemen” denken dat het hierbij gaat om alle gegevensuitwisseling in de zorg. Maar dat is dus niet zo. Het gaat om een specifieke technische inrichting, waarbij informatie ongericht raadpleegbaar wordt gemaakt voor andere zorgverleners. Als de uitwisseling technisch zo werkt, dan is de extra toestemming nodig. Die moet ook specifiek zijn. Iets als “ik geef aan mijn huisarts toestemming om mijn samengevatte gegevens opvraagbaar te maken door de huisartsenpost voor waarneming”.

    De Wegiz bepaalt dat normen voor gegevensuitwisseling er voor moeten zorgen dat niet alleen via uitwisselingssystemen kan worden uitgewisseld. Want anders is voor mensen die geen toestemming geven voor beschikbaarstelling van hun informatie geen gegevensuitwisseling mogelijk, ook als er volgens de WGBO geen uitdrukkelijke toestemming nodig is.

    Een recent voorbeeld illustreert waarom dat belangrijk is.

    Naast de GGD en allerlei zorginstellingen vaccineren ook huisartsen mensen tegen COVID-19. Volgens de Europese verordening die het Digitaal Corona Certificaat (DCC) regelt, mogen ze die gegevens verwerken voor zo'n DCC. Daar is geen aparte toestemming meer voor nodig.

    Maar er is op dit moment geen manier om die gegevens vanuit de CoronaCheck-app op te halen uit de gebruikte huisartsinformatiesystemen, anders dan via een uitwisselingssysteem. En dat mag niet, omdat de toestemming die gegeven is door mensen voor het raadpleegbaar maken van hun gegevens niet is gegeven voor dit doel. Daarnaast zou langs deze route ook niet voor iedereen informatie beschikbaar zijn.

    Precies dit is de reden waarom (aldus de Wegiz) ook op een andere manier dan via uitwisselingssystemen (zoals bedoeld in de Wabvpz) moet kunnen worden uitgewisseld.

    In een brief aan de Tweede Kamer is dat als volgt opgeschreven:

    Eerder heb ik uw Kamer gemeld dat mogelijk ook vaccinatieregistraties bij huisartsen direct via CoronaCheck opvraagbaar zullen worden. De technologie van de meeste huisartsinformatiesystemen maakt directe aansluiting echter niet mogelijk. Hiervoor is een tijdelijke route via het Landelijk Schakelpunt (LSP) onderzocht die niet haalbaar is gebleken. In dit geval is namelijk sprake van een uitwisselingssysteem dat gegevens ongericht raadpleegbaar maakt. De toestemming die mensen hebben gegeven voor die beschikbaarstelling ziet op huisartswaarneming en niet op CoronaCheck, waardoor de gegevens niet voor dit doel mogen worden gebruikt. Hoewel er een juridische grondslag is voor het leveren van vaccinatiegegevens door huisartsen aan CoronaCheck, staat hier de technische wijze waarop die uitwisseling via het LSP zou worden vormgegeven de koppeling in de weg. Mochten bepaalde huisartsinformatiesystemen wel direct benaderbaar zijn voor CoronaCheck zal getracht worden met deze systemen alsnog een koppeling te realiseren.

    Tot slot: het technische alternatief is er al. De systemen van de GGD en het RIVM worden bijvoorbeeld direct (via Internet) vanuit CoronaCheck bevraagd. Vandaar de laatste zin: zodra het kan zullen ook huisartsinformatiesystemen worden aangesloten.

  • Geplaatst op

    Dit is een blog in een serie waarin ik vragen beantwoord over het wetsvoorstel “Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg”. Een wetsvoorstel dat beoogt om stap voor stap de zorg te digitaliseren. Zodat faxen, brieven of DVD’s op de buik van een patiënt steeds minder voorkomen. Het is een wet waaronder gegevensuitwisselingen kunnen worden aangewezen die tenminste digitaal moeten verlopen. Dat kan op twee manieren. Door aan te wijzen dat ze elektronisch moeten verlopen (spoor 1 van de wet) of door ook aan te wijzen hoe, volgens welke norm, dat moet (spoor 2). Het is een wet waarover vragen zijn. In een serie blogs ga ik in op die vragen. Heb je ook een vraag? Laat deze gerust weten; via LinkedIn bijvoorbeeld.

    De Wegiz, waarom bepaalt de overheid niet zelf de standaarden?
    De Wegiz biedt de handvaten om stapsgewijs elektronische gegevensuitwisseling te verplichten. Die verplichting gebeurt via normen. Bij de opstelling van die normen zijn alle relevante partijen betrokken. Patiënten, zorgaanbieders, ICT-leveranciers, etc. Het is dus niet de overheid die zelf de standaarden bepaalt. Dat is zo vanwege de rol van de overheid in Nederland als het gaat om de gezondheidszorg.

    Er zijn landen waar dat anders gaat. In die landen is vaak de overheid betrokken bij het leveren van zorg. Dat is bijvoorbeeld zo in de Verenigde Staten (denk aan de zorg aan veteranen) of in verschillende Europese landen (denk aan het Verenigd Koninkrijk). In dat geval kunnen voorwaarden ten aanzien van taal en techniek worden meegegeven bij inkooptrajecten omdat de overheid de inkopende partij is. Zo is bijvoorbeeld "Blue button" ontstaan in de Verenigde Staten waarmee veteranen toegang krijgen tot hun eigen gezondheidsgegevens.

    Daarnaast zijn er landen waarin de overheid voorzieningen aanbiedt voor de uitwisseling van medische gegevens. Waar in Nederland sinds 2011 (na de afwijzing van de Wet EPD) de overheid geen betrokkenheid meer heeft bij specifieke infrastructuren voor uitwisseling is dat in andere landen wel het geval (zoals bijvoorbeeld in Denemarken, Estland, Portugal en Frankrijk). Door voorwaarden te stellen aan de verplichte aansluiting op nationale of regionale uitwisselingsinfrastructuren is dan een aparte wet minder nodig.

  • Geplaatst op

    Dit is een blog in een serie waarin ik vragen beantwoord over het wetsvoorstel “Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg”. Een wetsvoorstel dat beoogt om stap voor stap de zorg te digitaliseren. Zodat faxen, brieven of DVD’s op de buik van een patiënt steeds minder voorkomen. Het is een wet waaronder gegevensuitwisselingen kunnen worden aangewezen die tenminste digitaal moeten verlopen. Dat kan op twee manieren. Door aan te wijzen dat ze elektronisch moeten verlopen (spoor 1 van de wet) of door ook aan te wijzen hoe, volgens welke norm, dat moet (spoor 2). Het is een wet waarover vragen zijn. In een serie blogs ga ik in op die vragen. Heb je ook een vraag? Laat deze gerust weten; via LinkedIn bijvoorbeeld.

    De Wegiz, dat sluit toch niet aan op toestemming van patiënten?
    Vaak wordt gedacht dat voor alle gegevensuitwisseling tussen zorgprofessionals apart toestemming nodig is. Dat is niet zo, er zijn veel meer grondslagen dan toestemming. De Wegiz biedt ook geen nieuwe grondslag voor gegevensuitwisseling tussen zorgaanbieders. Als er mag worden uitgewisseld, dan moet dat straks vanwege de wet stapsgewijs ook tenminste elektronisch. Als je een recept per fax naar de apotheek stuurt, dan moet je straks ook tenminste elektronisch het recept aan de apotheek doorgeven. De wet regelt daarvoor niet de grondslag, die moet er al zijn. Als die er niet is, dan hoeft er dus ook niet (digitaal) te worden uitgewisseld. De Wegiz dwingt zorgprofessionals niet hun beroepsgeheim te doorbreken maar geldt alleen als er al een grondslag is voor gegevensuitwisseling. De Wegiz dwingt ook niet om gegevens uit te wisselen die je niet wil uitwisselen. Als je nu gegevens niet op een doorverwijzing zet, bijvoorbeeld, hoeft dat onder de Wegiz ook niet. De zorgprofessional bepaalt wat nodig is om te melden. Maar als je iets uitwisselt, dan moet dat straks tenminste ook digitaal en zo dat de ontvanger het ook kan inlezen. De wet verandert niets aan de grondslagen voor uitwisseling en dus ook niet aan toestemming.

    Ik schreef al eerder dat er veel verwarring is over toestemming voor gegevensuitwisseling. Veel gegevensuitwisseling is nu technisch zo ingericht dat gegevens al worden klaargezet voor nog onbekend later gebruik. Dan is inderdaad toestemming nodig. Terwijl in het zorgproces zelf die aanvullende toestemming heel vaak niet nodig is. Want toestemming is maar één van de grondslagen voor gegevensuitwisseling. En je komt pas bij toestemming, als die andere grondslagen er niet zijn. Als je een andere dokter consulteert, bijvoorbeeld, is extra toestemming om dan ook de gegevens uit te wisselen niet nodig. Dat geldt bijvoorbeeld ook bij doorverwijzing. Als een patiënt heeft ingestemd met de doorverwijzing, hoort daar ook de uitwisseling van de benodigde gegevens al bij. De Wegiz verandert daar niets aan. Maar wat wel waar is: er is veel onduidelijkheid over grondslagen voor gegevensuitwisseling. Of die nu op papier is, of digitaal.

    Misverstanden over toestemming
    Die onduidelijkheid komt als eerste, ik noemde het al, omdat veel gegevensuitwisseling nu zo is ingericht dat per definitie extra toestemming nodig is. Als je gegevens alvast elektronisch klaarzet, zonder te weten wie het gaat ophalen, dan is extra toestemming nodig. Want als je het zo doet, dan doorbreek je als zorgprofessional je beroepsgeheim. Toestemming is daarvoor de enige grondslag die er is (want je weet niet wie de gegevens ophaalt). Omdat veel gegevensuitwisseling zo werkt op dit moment, zijn veel mensen gaan denken dat altijd toestemming nodig is. Dat is niet zo. De Wegiz zegt daarom ook niets over toestemming, want gaat uit van een grondslag voor uitwisseling. Als je mag uitwisselen, dan moet het digitaal. Dat is de kern van de wet.

    We zijn dus gaan denken dat toestemming altijd nodig is, terwijl dat niet zo is. Dat vergt vooral aandacht in opleiding, en veel communicatie en voorlichting. Niet over toestemming, maar over grondslagen voor gegevensuitwisseling. Waar toestemming er één van is, maar zeker niet de belangrijkste. Daarom gebruik ik zelf vaker het begrip "grondslag" dan het begrip "toestemming".

    Beroepsgeheim strikt geregeld
    Elke zorgprofessional heeft beroepsgeheim en voert een eigen dossier. Zodat mensen erop kunnen vertrouwen dat wat besproken wordt binnenskamers blijft. Als je als dokter gegevens uitwisselt, doorbreek je dat beroepsgeheim. Vaak mag dat (ik noemde al doorverwijzen of consulteren, maar medebehandeling is ook zo’n reden). En dat is ook logisch. Het zou toch gek zijn als de nachtverpleging je in het ziekenhuis wakker zou moeten maken om toestemming te vragen om je medicatie in te zien.

    Op andere momenten mag dat niet. Zo mag de oncoloog niet zomaar jouw gegevens bij de cardioloog opvragen, die je voor een andere aandoening behandelt. Dat mag alleen met jouw toestemming. Dat is niet overal zo geregeld. Er zijn landen waarin dokters elkaar mogen inlichten als dat nodig is voor een behandeling. Maar in Nederland is daarvoor geen andere grondslag dan toestemming.

    Er zijn ook momenten waarop goede zorg en beroepsgeheim in elkaars weg lijken te staan. Dat geldt bijvoorbeeld als een arts medicatie voorschrijft. Dan moet, volgens de richtlijnen die bepalen wat goede zorg is, eerst een medicatieoverzicht worden opgesteld. Dat is een overzicht waarin al jouw actuele medicatie is opgenomen. Daarvoor heb je de gegevens nodig van iedereen die jou op dat moment behandelt. Maar die mogen dat niet zonder jouw eigen toestemming doorgeven. Want door de voorgeschreven medicatie te melden aan iemand die je voor iets anders behandelt, doorbreken ze hun beroepsgeheim zonder dat ze daarvoor een andere grondslag dan jouw toestemming hebben.

    De Wegiz brengt geen nieuwe grondslag aan voor gegevensuitwisseling. Daarvoor zou aanpassing nodig zijn van ons denken over beroepsgeheim en over de bijbehorende grondslagen voor gegevensuitwisseling.

    Binnen zorgaanbieders gaat het anders
    Ik schreef hiervoor al: het zou niet werken als de nachtverpleging je wakker zou moeten maken voor toestemming. Dat is ook niet zo. Binnen een zorgaanbieder is sprake van “high trust, high penalty”. Zorgaanbieders moeten loggen wie dossiers raadpleegt, en ingrijpen als mensen zonder reden gegevens inkijken. Er zijn veel voorbeelden van dat ingrijpen. Meerdere keren per jaar worden mensen die onbevoegd dossiers hebben ingezien berispt, of zelfs ontslagen. En ook zorgaanbieders die het te makkelijk maken om in dossiers te kijken worden aangesproken. Maar de hoofdbehandelaar, onder wiens verantwoordelijkheid het dossier wordt gevoerd, die is in dit geval niet verantwoordelijk.

    Anders is het tussen zorgaanbieders. Als een zorgprofessional iets elektronisch klaar zet voor een collega bij een andere zorgaanbieder, zonder dat duidelijk is wie het gaat ophalen, dan mag dat alleen met toestemming. Binnen zorgaanbieders mag het wel, omdat er wordt gewerkt met één dossier waar iedereen toegang toe kan hebben. Tussen zorgaanbieders mag dat niet. Waar binnen de zorgaanbieder wordt gekeken naar de persoon die zich zonder reden toegang verschaft, ligt de verantwoordelijkheid tussen zorgaanbieders bij de zorgprofessional die de gegevens beschikbaar stelt.

    De Wegiz verandert daar niets aan. Daarvoor zou aanpassing nodig zijn van ons denken over beroepsgeheim en grondslagen voor gegevensuitwisseling.

    Toestemming geven is ingewikkeld
    Als toestemming alsnog nodig is, dan is dat ingewikkeld geven. Dat is al zo in de papieren praktijk. Als een oncoloog iets nodig heeft van een cardioloog, het voorbeeld van hierboven, dan is dat soms veel gedoe. Jouw toestemming moet duidelijk zijn (een handtekening op een papier bijvoorbeeld), de arts die de gegevens verstrekt moet zich ervan vergewissen dat die toestemming echt van jou is, dat de oncoloog echt een dokter is, en moet het dan ook nog bij de oncoloog zien te krijgen. Er is geen simpele manier om dat elektronisch te doen. Er zijn landen die daarin iets verder zijn. In Oostenrijk, bijvoorbeeld, worden de elektronische toestemming van de patiënt en de vraag van de oncoloog gecombineerd tot één verzoek aan de cardioloog. Die kan dan, geautomatiseerd, de gegevens verstrekken omdat zeker is dat je toestemming hebt gegeven en dat het echt een dokter is aan wie de gegevens worden verzonden. In het huidige Internettijdperk zou je denken aan een pop-up bericht op je telefoon waarna je toestemming geeft en de informatie kan worden opgehaald. Maar zover zijn we nog niet.

    De Wegiz verandert niets aan hoe we toestemming regelen. Maar het zou wel veel schelen als dat makkelijker werd.

  • Geplaatst op

    Dit is een blog in een serie waarin ik vragen beantwoord over het wetsvoorstel “Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg”. Een wetsvoorstel dat beoogt om stap voor stap de zorg te digitaliseren. Zodat faxen, brieven of DVD’s op de buik van een patiënt steeds minder voorkomen. Het is een wet waaronder gegevensuitwisselingen kunnen worden aangewezen die tenminste digitaal moeten verlopen. Dat kan op twee manieren. Door aan te wijzen dat ze elektronisch moeten verlopen (spoor 1 van de wet) of door ook aan te wijzen hoe, volgens welke norm, dat moet (spoor 2). Het is een wet waarover vragen zijn. In een serie blogs ga ik in op die vragen. Heb je ook een vraag? Laat deze gerust weten; via LinkedIn bijvoorbeeld.

    De Wegiz, gaat dat niet eeuwig duren?
    Normering kost tijd, soms zelfs veel tijd. Daarom kost een “Spoor 2 aanwijzing” onder de Wegiz tijd. Zorgprofessionals moeten allereerst bepalen welke informatie nodig is voor goede zorg, standaarden moeten worden ontwikkeld, er moet een NEN-norm komen, systemen moeten aangepast en dan pas kan de verplichting in gaan.

    Voor een beetje ingewikkelde gegevensuitwisseling duurt dat zo een paar jaar. Als je verwacht dat de zorg pas echt digitaal uitwisselt als voor alles een norm bestaat, zou het inderdaad wel eens lang kunnen duren. Maar zo zal het niet gaan. Daar zijn meerdere redenen voor.

    Niet alles wordt volledig genormeerd
    Een van de redenen dat het niet zo lang hoeft te duren is dat de aanwijzing “Gij zult elektronisch uitwisselen” zonder een bijbehorende norm op te leggen snel kan gaan. Dan nog steeds zijn generieke normen van toepassing (zoals ten aanzien van informatiebeveiliging), maar in plaats van eerst te wachten op normering moet het tenminste digitaal verlopen. Remko Nienhuis schreef in zijn blog over de verborgen parels in de Wegiz hoe dit kan zorgen voor “bottom-up innovatie”. Zijn brede interpretatie van de Wegiz is correct. De wet zorgt voor beweging, zowel “top down” als “bottom-up”.

    De Wegiz werpt zijn schaduw vooruit
    Hoewel de Wegiz er nog niet is en niet direct alle elektronische gegevensuitwisseling zal verplichten, is die beweging al te zien. Niets staat het zorgveld in de weg om ook zelf, samen met alle betrokkenen, stappen te zetten. Laat dat precies zijn wat gebeurt.

    Een mooi voorbeeld is de uitwisseling van de Basis Gegevensset Zorg. Dat is de samenvatting van medische gegevens die eigenlijk in elke behandeling nodig is en die bijvoorbeeld veel lijkt op de zogenaamde “International Patient Summary”. Geïnspireerd door de aanpak van de Wegiz zijn leveranciers bezig gegaan om voorstellen te doen voor een “technische afsprakenset” voor de uitwisseling van de Basisgegevensset Zorg (BGZ) . Precies zoals de Wegiz beoogt te gaan doen. Laat de BGZ nou ook één van de voorbeelden zijn die beoogt zijn te gaan verplichten. Voordat het wetsvoorstel behandeld is, worden dus al concrete stappen gezet die de zorg vooruit gaan helpen.

    Alle begin is moeilijk
    Bij de eerst verplicht elektronische gegevensuitwisselingen is veel nieuw. De standaarden voor de informatie die er in is opgenomen, de techniek van de uitwisseling, etc. Er is een eerste keer dat medicatie in een norm voorkomt, bijvoorbeeld, en ook dus een eerste keer dat wordt bepaald hoe moet worden uitgewisseld.

    Maar de tweede keer, als medicatie in een andere uitwisseling nodig is, hoeft heel veel werk niet meer gedaan. Er is al een keer bepaald welke gegevens er worden uitgewisseld, en ook al hoe. Zie het als legoblokjes die opstapelen tot telkens een nieuwe gegevensuitwisseling. Na een tijdje zijn de meeste blokjes wel gemaakt, en is het een kwestie van een nieuwe stapel bouwen om een nieuwe gegevensuitwisseling te realiseren.

    Normen die voor alle uitwisseling gelden hebben direct impact
    Tot slot zullen er generieke normen ontstaan die altijd gelden. Die zijn er al, bijvoorbeeld, voor informatiebeveiliging in de zorg. Dergelijke generieke normen zullen er ook komen voor andere zaken die in elke gegevensuitwisseling nodig zijn. Zo is er nu NTA-7516, de norm voor veilig mailen in de zorg. Omdat dit soort normen gaat gelden voor alle uitwisseling, zullen deze sneller impact hebben dan de stapsgewijze aanwijzing van elektronische gegevensuitwisselingen.

  • Geplaatst op

    Ik schreef er al eerder over (zoek maar eens op “privacy” in mijn blogs ): wat mij betreft staat privacy goede gegevensuitwisseling niet in de weg. Het kan zelfs leiden tot hele mooie innovaties. “Privacy by design” is het uitgangspunt in de AVG (artikel 25). Maar hoe werkt dat dan in de praktijk?

    "Privacy by design" is niet iets maken en daarna in een Privacy Impact Assesment (of PIA, nog zo’n eis van de AVG) rechtvaardigen welke keuzes je hebt gemaakt. Eerder werkt het andersom: door eerst zo’n PIA te maken en daarna pas te starten met ontwikkelen krijg je de mooiste oplossingen. Design by privacy dus.

    Dat is de manier waarop we werken als het gaat om de digitale ondersteuning van de pandemie. Zo is CoronaMelder tot stand gekomen, maar bijvoorbeeld ook CoronaCheck.

    Klinkt vaag toch, “privacy by design”? Dat is ook zo en vraagt dus om een concreet voorbeeld. Laten we CoronaCheck nemen.

    Eind vorig jaar stelden wetenschappers en anderen voor om in situaties dat de epidemiologische situatie dat eigenlijk niet toelaat toch meer contacten toe te staan (denk aan evenementen bijvoorbeeld). Dat zou kunnen - zeiden ze - als je de risico's verlaagt door een negatieve test voorafgaand aan zo'n evenement. Daaruit is het idee ontstaan van toegangstesten. Aan de poort bewijzen dat je recent negatief getest bent.

    Maar hoe bewijs je dat dan? Dat kan natuurlijk met een testuitslag met al je gegevens erop. Maar het gaat om jouw eigen medische gegevens en dus is dat niet de meest wenselijke situatie. Kan het niet anders?

    Toen ons gevraagd werd om daarover na te denken (en over de digitale technologie om dat mogelijk te maken) stelden we privacy centraal. Er zou bijvoorbeeld een wettelijke grondslag moeten zijn om de benodigde gegevens te verwerken (die wet is recent door de Eerste Kamer aangenomen ), mensen moeten niet volgbaar zijn over bezoeken van verschillende evenementen heen, het moet niet mogelijk zijn om aan de poort te zien wat de reden van het verlaagde risico is (zoals een test of juist een vaccinatie), er moet geen centrale database komen van die gegevens en het is niet nodig om al je gegevens in een bewijs op te nemen om het waarschijnlijk genoeg te maken dat het bewijs inderdaad bij jou hoort.

    Dat nadenken over gegevensbescherming heeft geleid tot CoronaCheck, een app waarin je de gegevens van jouw negatieve test (en straks ook je vaccinatie) veilig ophaalt bij de testaanbieder en opslaat op (alleen) je eigen telefoon, en er een QR-code van maakt die kan worden gescand. Maar dan wel op een manier waardoor de risico’s die ik hiervoor noemde sterk zijn verminderd.

    Zo verandert de QR-code voortdurend (en heeft het dus geen zin om QR-codes te vergelijken als je meerdere evenementen bezoekt), is in de QR-code niet opgenomen of het gaat om een negatieve test of een vaccinatie en zijn alleen je initialen, je geboortedag en geboortemaand opgenomen. Omdat soms ook initialen heel zeldzaam zijn hebben we er (op basis van gegevens van het Meertensinstituut) zelfs voor gezorgd dat nog minder informatie wordt getoond bij zeldzame initialen.

    De QR-code die je laat zien bij een deur is daarmee niet volgbaar over locaties heen, zegt niet of je een test of vaccinatie hebt gehad en vertelt niet precies wie je bent.

    De manier waarop het werkt is beschreven in de wet en in de komende wettelijke regelingen. Binnenkort gaat ook de DPIA die het helemaal uitlegt naar de Tweede Kamer. Zodat voor iedereen duidelijk is hoe het werkt, welke gegevens verwerkt worden en door wie. De broncode van de app staat op GitHub zodat iedereen kan controleren dat het ook echt zo werkt.

    De ontwikkeling van de wet, het bedenken van de werkwijze en het ontwerpen en maken van de techniek gingen de afgelopen maanden hand in hand. Beleid en uitvoering als werelden die elkaar beïnvloeden om te komen tot privacy by design. Of wat mij betreft dus beter nog: design by privacy.

    Gaat het dan alleen om privacy? Nee, zeker niet. Privacy, security en toegankelijkheid zijn het uitgangspunt. Niet alleen van de app, ook van de keten. Zo moeten testaanbieders die aansluiten op CoronaCheck aan allerlei eisen voldoen.

    Design by privacy, security en toegankelijkheid: het lijkt ingewikkeld en begrenzend, maar het is het juist niet. Het leidt tot innovatieve oplossingen en is zelfs extra leuk. Zo leuk dat de ontwikkelaars die dit nu een tijdje samen doen zelf met voorstellen komen hoe privacy wellicht nog net iets beter ingebed kan.

  • Geplaatst op

    Vandaag werden in behoorlijk wat ziekenhuizen in Nederland mensen gevaccineerd tegen COVID-19. Dit keer ging het niet om eigen personeel, maar onder andere om zorgmedewerkers van zelfstandige klinieken. Ik was zelf even in het AMC, en zag een perfect georganiseerde logistieke operatie. Het prikken zelf, de logistiek, de registratie: het verliep vloeiend.

    Die registratie was wel een ding. Vaccinatie van eigen personeel kan worden geregistreerd door de arbodienst, prikken van patiënten kunnen vastgelegd in het EPD. Maar voor registratie van gezonde anderen, daar is geen logische plek voor.

    Vandaag werden vaccinaties voor het eerst vastgelegd in een nieuw registratiesysteem: ZKVI (dat staat voor ziekenhuizen kunnen vaccinaties invoeren). Een systeem gemaakt onder verantwoordelijkheid van VWS, door bevlogen mensen van wie velen uit de hackerswereld komen en ook betrokken zijn bij BRBA, CoronaMelder, CoronaCheck en GGD Contact.

    Van BRBA heb je waarschijnlijk nog nooit gehoord. Het werd in december 2020 in een paar weken tijd ontwikkeld door al een deel van deze mensen. Het is een doorgifteportaal voor die situaties waarin geen dossiersysteem voorhanden is dat gegevens kan doorleveren aan het centrale registratiesysteem CIMS van het RIVM. Het was een huzarenstuk: in enkele weken tijd een veilig en in heel Nederland bruikbaar systeem neerzetten.

    Een paar weken geleden werd duidelijk dat ook ziekenhuizen een rol zouden kunnen gaan spelen in de opschaling van de vaccinatiecampagne. De LNAZ, NVZ, NFU, het RIVM en natuurlijk alle betrokken ziekenhuizen werkten daaraan. Vandaag was er een pilot met kliniekmedewerkers. Maar waarin moesten die prikken dan geregistreerd en hoe zou dat proces er uit zien? Wij dachten dat het mogelijk moest zijn om voortbordurend op BRBA een vaccinatieregistratiesysteem te bouwen. Ook nu weer in een paar weken tijd. Veilig, voldoend aan alle normen ten aanzien van informatiebeveiliging en privacy en daarnaast gebruiksvriendelijk en het proces optimaal ondersteunend. Met ook een koppeling naar CIMS van het RIVM en naar CoronaCheck voor het komende vaccinatiebewijs.

    ZKVI Screenshot

    Vandaag heb ik het in de praktijk kunnen zien: het is ze weer gelukt. Op dezelfde onconventionele manier als eerder BRBA. Geen ellenlange vergaderingen maar korte online standups als het nodig is. Met werkweken die weinig ruimte laten voor slaap, met oplossingen in enkele uren waar het in normale tijden weken zou duren en tegelijkertijd met heel veel lol. Die lol zie je bijvoorbeeld terug in de namen van de componenten. De huisdieren van veel betrokkenen komen daar in voor. Bijvoorbeeld die van Jack en Jane, de konijnen van de verpleegkundige bij het Erasmus Medisch Centrum die meehielp om de processen te beproeven en te optimaliseren. Zodat elke prikker 60 mensen per uur kan vaccineren en de registratie vloeiend gaat.

    Ook ZKVI wordt binnenkort open source. Verschillende onderdelen ervan zullen we apart publiceren. Want terwijl we ZKVI maakten zijn voor allerlei veel voorkomende situaties in de zorg nieuwe oplossingen bedacht. Voor BSN-verificatie bijvoorbeeld, en voor login met de UZI-pas.

    De dossiervoering is natuurlijk niet van VWS maar van de ziekenhuizen zelf. Daarom is het beheer van ZKVI overgedragen aan Dutch Hospital Data. Zij ondersteunen alle ziekenhuizen bij het gebruik van het systeem. De nerds die ZKVI maakten waren direct blij met de samenwerking met DHD. “Ze lijken op ons” was de conclusie. En uit de monden van deze mensen is dat misschien wel het grootste compliment dat je kunt krijgen.

    Het is een eer om met deze groep (en de mensen van DHD) te mogen werken. Dank jullie wel:

    Anne Jan Brouwer, Barbara Gelauf, Bjorn Hamoen, Brenno de Winter, Christiaan den Besten, Cleo van Engelen, Dennis van Zuijlekom, Dorus-Jan ten Boom, Elger Jonker, Erwin Hager, Esther Ton, Fatma Sevinc, Gert-Jan van Boven, Heleen Klopper, Herman Rink, Ilona Mallisse, Ivo Tamboer, Jaap Hoorenman, Jan Klopper, Janneke van de Brand, Jeroen Baten, Jochem Broekhuizen, Joost Beukers, Joshua Thijssen, Justin Loew, Klaas-Wouter Geleynse, Kura Kinfe, Lynn Reijnders, Mark Janssen, Max Vasterd, Mendel Mobach, Mike Sijmons, Nick ten Cate, Niels Hatzmann, Paul Dam, Pauline Vos, Peter Paul van Gemerdern, Peter Seignette, Pier Nauta, Rafeal Dulfer, Renze Nicolai, Ritva Kirpestein, Rob Sijmons, Sijmen Ruwhof, Willem van Asperen en Yvo von Berg.

  • Geplaatst op

    “Tunnelvisie op fraude leidt tot basishouding van wantrouwen”. Zo luidt een kopje in het verslag getiteld “Ongekend onrecht” van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag.

    De conclusie van de commissie is onder meer dat de overheid meer moet vertrouwen en niet alles dicht moet regelen vanuit wantrouwen en fraudekans.

    Aan die conclusie moest ik deze week vaak denken nadat RTL kopte: “Vaccinatieprogramma al maanden lek, iedereen kan voordringen en prik krijgen”. Veel media pakten het op. De teneur was vaak dat dit had moeten worden dicht geregeld.

    Wat is er aan de hand. Mensen melden zich soms als zorgmedewerker voor een vaccinatie bij de GGD zonder dat ze echt zorgmedewerker zijn. Ze proberen voor te dringen. De GGD gaat daarbij uit van vertrouwen. Er is namelijk geen grote overheidsdatabase van mensen die in de zorg werken en op een zeker moment een prik moeten krijgen. Er is ook geen massale uitwisseling van data tussen elke zorgaanbieder en de GGD wie er een prik moet krijgen. Er is ook geen systeem waarbij precies kan worden gecontroleerd of je wel in de zorg werkt, waar je werkt en of je wel tot de doelgroep van dat moment behoort. Er is, kortom, geen vanuit wantrouwen gemaakt controlesysteem.

    Wat er wel is? Vertrouwen. Vertrouwen dat mensen niet hun persoonlijk belang massaal laten gaan voor gezamenlijk belang. Vertrouwen dat de juiste mensen zich melden voor een prik. Er is wat de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag zocht, namelijk vertrouwen.

    Ik ben daar persoonlijk blij mee. Blij dat dit niet is dicht geregeld. Vanuit het vertrouwen dat mensen niet massaal gaan voordringen.

    Maar bovenal hoop ik persoonlijk dat voordringen niet leidt tot de reflex om het toch weer dicht te regelen.


    Wellicht ten overvloede omdat het gebruik van het woord "persoonlijk" dat al aangaf: bovenstaande tekst is mijn persoonlijke opvatting.

  • Geplaatst op

    Ja, ik ben ambtenaar. Het was een keuze die ik al vroeg maakte. Een keuze die sterk werd beïnvloed door één persoonlijke handeling, van één ambtenaar. Die ambtenaar was de vader van basisschoolgenoot Ineke van Staalduinen, en directeur van de Sociale Werkplaats in Oldenzaal (waar ze onder meer jarenlang de onverwoestbare BIOD-caravans maakten). Na een bedrijfsongeval dat leidde tot fysiek letsel, na de WAO die daarop volgde en op het moment dat verhuizing naderde omdat “het koophuis moest worden opgegeten” besloot die ene ambtenaar te vechten voor een kans voor mijn vader. Ik denk nu dat die beslissing waarschijnlijk niet helemaal netjes volgens de regels was. Maar het gaf wel de ruimte aan iemand om weer een toekomst op te bouwen. Gericht op een nieuwe start in het leven (woorden die ook in de kabinetsreactie op het rapport ‘Ongekend onrecht’ worden gebruikt). Zijn moreel kompas stond - zo vul ik jaren later in - niet afgesteld op wat mocht, maar op wat wijs was.

    Mijn vader kon door die persoonlijke betrokkenheid van één ambtenaar gaan werken op de sociale werkplaats. Aan “de verkeerde kant”, zo voelde hij dat. Bij de mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. De schaamte was groot, maar het leverde ook weer inkomen op. En diep respect voor en vriendschap met de mensen met wie hij vanaf dat moment werkte.

    Die invloed ten goede op mensen en maatschappij, dat is wat me deed besluiten voor de overheid te gaan werken. Met (soms meer en soms minder) trots en ook met veel zelfspot. Als ik weer eens een foto twitter van mooi uitzicht uit een raam, bijvoorbeeld. Met regelmaat zijn ambtenaren als ik doelwit van grappen en spot. Dat is in sommige perioden meer dan anders. Ik herinner me bijvoorbeeld de periode van de Parlementaire enquête naar bouwfraude. Integriteit werd, terecht, nog belangrijker. “Het juiste doen” werd voor mij toen nog iets belangrijker. “Juist” in termen van “de hoogste lat” bijvoorbeeld. Niet voor niets werd besloten dat CoronaMelder aan alle toegankelijkheidseisen moet voldoen. Iedereen moet kunnen meedoen, zo leerde ik al jong van de gave groep “mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt” waar mijn vader er één van was.

    Aan de enquête naar bouwfraude moest ik deze week weer denken. Het Kabinet viel na het rapport van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag. Die commissie schreef terecht: “een grondbeginsel van onze rechtsstaat is dat zowel bij het maken als bij het uitvoeren van wetten zoveel mogelijk rekening gehouden moet worden met de belangen van mensen.” In een indrukwekkend betoog in de NRC schreef Herman Tjeenk Willink terecht: "Alle betrokkenen moeten in de spiegel kijken", dus ook het parlement. De hoofdconclusie van de ondervragingscommissie is dat niet één maar alle drie de staatsmachten „reden hebben om in de spiegel te kijken”.

    Enigszins beschaamd moet ik erkennen: dat geldt niet alleen voor die staatsmachten, het geldt ook voor mij. Als het niet verboden is, dan is het correct. Dat denk ook ik als ik de belastingaangifte invul. Dus kies ik voor een extra aftrekpost voor groen sparen, als dat belastingvoordeel oplevert. Hadden ze het maar niet mogelijk moeten maken.

    Ons moreel kompas is - wat mij betreft - te vaak afgesteld op de grenzen (en de mazen) van de wet. Als gastouderopvang mogelijk wordt, dan vinden we het moreel correct om vanaf dat moment opa en oma te betalen voor hun wekelijkse dagje oppassen en daar een toeslag voor te vragen. Het mag, dus het klopt. Ook al kost het belastinggeld en was het eigenlijk niet de bedoeling. Maar ja, dan hadden ze het maar moeten verbieden! Als vaccins beschikbaar komen voor de acute zorg, dan melden ook restaurantmedewerkers zich aan. Want ja, het kan, dus het klopt. Hadden ze het maar moeten verbieden!

    “Hadden ze het maar moeten verbieden” leidt bijna vanzelf tot meer verboden, tot meer regels en tot meer fraudebestrijding. In de spiegel kijken geldt daarom wat mij betreft voor iedereen. Een moreel kompas moet, zo is mijn persoonlijke beleidsopvatting die vanaf deze week openbaar wordt, niet staan afgesteld op de grenzen van de wet. Het is de lat die je zelf legt. De hoogste lat, wat mij betreft.

  • Geplaatst op

    “Heel veel mensen moeten onterecht in quarantaine bij een waarschuwing door CoronaMelder”. Die reactie kreeg ik vaak de afgelopen weken. En ja, het klopt. Veel mensen kregen achteraf onterecht het advies in vrijwillige quarantaine te gaan. Niet alleen bij notificatie door CoronaMelder, maar ook bij de reguliere bron- en contactopsporing.

    Dat is namelijk hoe bestrijding van infectieziekten werkt. Mensen die in nauw contact zijn geweest met iemand die besmet is (met Corona of een andere besmettelijke ziekte) krijgen het advies tijdelijk geen contacten te hebben met anderen. Zodat zij niet onverhoopt anderen besmetten. Want je bent al besmettelijk voordat je zelf klachten hebt. Zo doorbreek je ketens van infectie en damt verspreiding in.

    Tussen 1 juni en nu bleek gemiddeld bijna 21% van de nauwe contacten achteraf besmet. In de week van 12 tot en met 18 oktober was dit ruim 30%. Gemiddeld kreeg dus 80% van die nauwe contacten achteraf onterecht het advies in quarantaine te gaan.

    Helaas weet je na een nauw contact nog niet wie later besmet zal blijken, en wie niet. En helaas kun je dat pas na een tijdje zeker weten (een eerder OMT-advies had het over 7 dagen na het laatste risicovolle contact). Daarom krijgen alle nauwe contacten het advies in vrijwillige quarantaine te gaan. Omdat je besmet kunt zijn en zonder te weten onverhoopt anderen kunt besmetten. Eerder testen, zoals ik vaak lees, heeft dus maar beperkt zin. Het spoort alvast de eerste besmettingen op, maar geeft nog geen zekerheid of je besmet bent of niet. En is daarom ook niet geschikt om quarantaine te stoppen.

    De bestrijding van een infectieziekte als Covid-19 vraagt dus iets van ons allemaal. Vrijwillig in quarantaine gaan na een risicovol contact is niet niets. Zeker als je achteraf gelukkig zelf niet besmet blijkt, en dat is dus in een ruime meerderheid het geval. Toch is het nodig om de verspreiding te stoppen. Even op jezelf letten om een ander te beschermen.

    Dus ja: heel veel mensen gaan achteraf onterecht in vrijwillige quarantaine. Maar vooraf is het terecht. Quarantaine doet een beroep op onze solidariteit om verspreiding te stoppen. Het helpt als je begrijpt waarom:

    Nauw contact met iemand die besmet is geeft een hoger risico dat zelf ook te zijn en de ziekte onverhoopt door te geven aan anderen. Helaas kun je pas na een tijdje zeker weten of je zelf ook besmet bent.

    Hoe onnodig quarantaine achteraf ook mag lijken, het is nodig om ketens van besmetting te doorbreken.

  • Geplaatst op

    In een kast in mijn huis staat een dierbare herinnering aan mijn vader. Een minikastje van pitriet, gemaakt tijdens zijn verblijf in sanatorium Berg en Bosch. Hij verbleef daar vanwege TBC. Ver van huis want, zei hij, TBC was een straf van god en daar pasten schaamte en afstand bij. Terwijl Robert Koch al in 1882 had ontdekt dat TBC wordt veroorzaakt door een bacterie en niet door een boze god.

    pitriet kastje gemaakt in sanatorium

    Maar wat een bacterie is, hoe besmetting werkt: dat was niet bij iedereen bekend. Laat staan dat het echt werd begrepen. Bij het zoeken naar oorzaak en gevolg in barre tijden is “straf van god” een rustgevend houvast. Vertrouwen in experts en wetenschap was er ook toen blijkbaar niet genoeg bij dit grote katholieke gezin in het oosten van het land.

    Het nieuwe coronavirus waart rond. We weten nu ook veel meer dan 70 jaar geleden. We weten wat RNA is, wat precies de opbouw is van een virus, hoe een virus zich repliceert. We kunnen volgen wat er gebeurt na infectie. En we leren heel snel en passen nieuwe inzichten direct toe in de zorgpraktijk.

    Maar in zekere zin is de situatie niet anders dan ten tijde van de opname van mijn vader. Hoewel “we” steeds meer weten en begrijpen, zijn er ook nu maar weinig mensen die het echt allemaal snappen. Die wetenschappers zijn ook nog eens publieker geworden en hun voortschrijdende inzicht en onderlinge debatten bereiken iedereen. Met soms zorgwekkende digitale aanvallen tot gevolg,

    Misschien is het zelfs wel ingewikkelder om op kennis te vertrouwen. Omdat onderling debat zo publiek is, en omdat het zo makkelijk is om alternatieve houvast gevende verhalen over het voetlicht te krijgen. Verhalen over vaccins die bedoeld zijn om witte mannen onvruchtbaar te maken (ja, dit kwam echt voorbij) of over de relatie tussen het aantal 5G-zendmasten en de hoeveelheid coronagevallen. Over dat laatste: ja, er is een correlatie tussen zendmasten en corona. Maar het een veroorzaakt niet het ander. Correlatie is namelijk niet hetzelfde als causaliteit, zoals Ionica Smeets mooi kan uitleggen . Een correlatie is er bijvoorbeeld ook tussen het aantal supermarkten en corona. Maar waarschijnlijker is dat de onderliggende echte oorzaak, de derde factor, zit in hoeveel mensen op een plek samenwonen en samen komen. Want daar houden virussen van, van mensen die dicht bij elkaar komen en elkaar besmetten.

    Ik heb niet direct een antwoord op de verspreiding van bijzonder theorieën. Ik heb wel een eigen houvast. Nadat TBC langzamerhand in Nederland minder vaak voorkwam, naarmate de kennis en mogelijkheden van behandeling groeiden, verdween ook de behoefte aan een magisch houvast. Ik hou mij vast aan het vertrouwen dat dit ook voor corona zal gelden. Ik hou mij vast aan het vertrouwen dat een houvast steeds minder nodig zal zijn.